Wat rijmt er op leugenaar?

  • adelaar. Aldemaar. appelaar.
  • avegaar. babbelaar. baggeraar.
  • bedelaar. beukelaar. beuzelaar.
  • bladeraar. boemelaar. boezelaar.
  • bottelaar. brabbelaar. Brusselaar.
  • cateraar. doezelaar. dompelaar.
  • dreutelaar. dribbelaar. druivelaar.
  • druppelaar. duikelaar. femelaar.

Wat rijmt er op liegen?

  • bedriege. bedriegen. bevliege.
  • gevliegen. intrige. intrigue.
  • vervliege. vervliegen.

Wat rijmt er op opgenomen?

  • aangekomen. afgekomen. aktiestromen.
  • amberbomen. apebomen. apenbomen.
  • appelbomen. balsembomen. bathochromen.
  • berkebomen. berkenbomen. beukebomen.
  • beukenbomen. bijgekomen. binnenkome.
  • binnenkomen. binnenstome. binnenstrome.
  • binnenstromen. bonebomen. bonsaibomen.
  • bovenkome. bovenkomen. buitenkome.

Wat rijmt er op schattig?

  • sattig. schabbig. schallig.
  • schampig. schandig. scharig.
  • scharrig. schat in. schatte.
  • schatten. schatter. scheutig.
  • schiftig. schoftig. schotig.
  • schuitig. spattig.

Wat rijmt er op sportief?

  • archief. Archief. belief.
  • cursief. debrief. gelief.
  • gerief. hanif. kursief.
  • lascief. massief. naïef.
  • ogief. ojief. passief.
  • recief. tardief. tarief.
  • triglief. unief. verhief.

Wat rijmt er op trainen?

  • bene. Bene. benen.
  • ene. enen. gene.
  • genen. grenen. henen.
  • kene. kwenen. lene.
  • Lene. lenen. mene.
  • menen. Menen. nenen.
  • pene. penen. schenen.
  • spene. spenen. steene.

Wat rijmt er op verst?

  • averste. beverst. diverst.
  • everste. gaverst. geverst.
  • inverst. nuverst. oversta.
  • overste. poverst. veraste.
  • verbost. verdast. vereist.
  • verenst. veretst. vergast.
  • vergist. verigst. verijst.
  • verkast. verlost. vermast.

Wat rijmt er op verwelkomen?

  • atoomstromen. banaanbomen. beslisbomen.
  • cacaobomen. citroenbomen. gelijkstromen.
  • geslachtsbomen. getijstromen. granaatbomen.
  • guajacbomen. kaneelbomen. kapokbomen.
  • kwartierbomen. lataanbomen. latierbomen.
  • meloenbomen. muskaatbomen. natuurstromen.
  • olijfbomen. pimentbomen.
  • spalierbomen. terugstrome.

Wat rijmt er op vestje?

  • bêche. besje. bestje.
  • blesje. bresje. cacheje.
  • caisseje. cashe. cashen.
  • cashje. cesje. clashe.
  • clashen. clashje. crashe.
  • crashen. crashje. crèche.
  • crècheje. cressje. desje.
  • dresje. esje. Estje.

Wat rijmt er op vliegt?

  • biecht. driegt. liegt.
  • miegt. Pflicht. smiecht.
  • wiegt.

Wat is aanvoegende wijs in het spaans?

De aanvoegende wijs of subjunctief (in het Spaans modo subjuntivo) wordt gebruikt om ideeën die niet in het domein van het feitelijke passen: concepten die hypothetisch in plaats van feitelijk zijn. Het gaat hierbij om de gevoelens die de spreker heeft ten opzichte van de situatie of gebeurtenis.

Hebben vervoegd?

hebben tt vt
jij, je, u hebt had
hij, zij, ze, het heeft had
wij, we hebben hadden
jullie hebben hadden

Hebben vervoeging wikiwoordenboek?

vervoeging van het werkwoord hebben
tegenwoordige tijd toekomende tijd
ik heb zullen hebben
jij, je hebt zullen hebben
u hebt heeft zal, zult hebben

Hoe gebruik je de gérondif?

De gérondif (het gerundium) wordt gevormd met en + het onvoltooid deelwoord. Het wordt gebruikt om aan te geven dat twee handelingen gelijktijdig plaatsvinden. Het heeft hetzelfde onderwerp als het hoofdwerkwoord. Victor parle en dormant.

Hoe maak je de gerundio?

door –ando of –iendo achter de stam van het werkwoord te plaatsen. Om een handeling te beschrijven die bezig is wordt het werkwoord estar (estoy, estás, está, estamos, estáis, están) gebruikt gevolgd door de gerundio. Voorbeeld: Estoy comiendo mientras la mujer entre – Ik ben aan het eten terwijl mijn vrouw binnenkomt.

Hoe maak je de subjuntivo?

De tegenwoordige tijd van de subjuntivo wordt gebruikt in uitdrukkingen met ser + adjetivo (zijn + bijvoegelijk naamwoord) waar het niet gaat om een feit, maar om de mening van de spreker ten opzichte van de (hypothetische) situatie of gebeurtenis: Es posible que mañana llueva. Het is mogelijk dat het morgen regent.

Hoe schrijf je ik maakte?

Maar als je hier eigenlijk bedoelt ‘zitten uitrusten maakte hem zenuwachtig’ dan ligt het even anders. Dan kun je bij deze groep namelijk nog maar één lidwoord gebruiken: het zitten en ook het uitrusten -> de kat en de hond -> maken. het zitten uitrusten – > de kattende hond (of zoiets) -> maakt.

Hoe vorm je de vtt?

wordt gevormd door een combinatie van twee werkwoordsvormen: enerzijds een eerste verbale pool (of persoonsvorm) (een vorm van de hulpwerkwoorden van tijd, nl. zijn of hebben) en anderzijds, een tweede verbale pool (een voltooid deelwoord of „participium perfectum‟), die fungeert als “verbale rest”.

Hoe vorm je de onvoltooid toekomende tijd?

​Hoe vorm je de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd? Voor de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd gebruiken we ‘zullen’ als hulpwerkwoord en een infinitief. Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd = ‘zullen’ + infinitief.

Is gaan ook een werkwoord?

Veelvoorkomende hulpwerkwoorden waarbij dit gebeurt, zijn kunnen, willen, moeten, mogen, laten, komen, gaan, blijven, doen, staan, zitten en leren.

Is het has of had?

bevestigend ontkennend vragend
I /you /he /she /it /we /they had I /you/he /she /it /we /they had not / hadn’t had I /you /he /she /it /we /they?

Is maakt een werkwoord?

Werkwoord “maken” – Nederlandse werkwoorden.

Wat is de werkwoordspelling?

De stam van een werkwoord is het hele werkwoord zonder –en. Bijvoorbeeld: ‘werken’ wordt ‘werk’ en ‘bestellen’ wordt ‘bestel’. De eerste tijdsvorm is de tegenwoordige tijd. De tegenwoordige tijd beschrijft iets wat nu of in de toekomst gebeurt.

Wat is het werkwoord van zijn?

Voorbeelden van werkwoorden zijn gaan, slapen, blijken, zijn en veranderen. Werkwoorden geven aan in welke tijd de zin staat: de verleden tijd, de tegenwoordige tijd of de toekomende tijd. Dat kan allemaal in één werkwoord, maar er kunnen ook twee of meer werkwoorden voor gebruikt worden.

Wat is perfect in het spaans?

NL: perfect, uitstekend. ES: Perfecto, impecable.

Wat is vervoegen in het spaans?

vervoegen (ww.) conjugar (ww.) ; declinar (ww.) ; cascar (ww.) ; hacer recortes (ww.) ; flectar la cabeza (ww.) ; bajar (ww.) ; recorrer (ww.) ; dirigirse a (ww.) ; encaminarse a (ww.)